1) Holding nuttig voor KMO?

Dit is natuurlijk onze hamvraag. Via dit artikel gaan we een uitweg zoeken of het eventueel interessant is om een holding binnen de KMO-stuctuur op te richten of niet.

Daarnaast gaan we de verschillende fiscale aandachtspunten onder de loep nemen waaronder de personenbelastingen, vennootschapsbelastingen, BTW als registratierechten.

Vertrekkend vanuit een wederkerend voorbeeld dat we per aandachtspunt verder verdiepen.

Case

Aandeelhouder en zaakvoerder dhr. Z beschikt over twee vennootschappen X en Y. Z besluit om de aandelen van zijn vennootschappen over te brengen in een holding H. Hiervoor besluit Z om eerst vennootschap H op te richten. Z verkoopt daarna de aandelen van X en Y aan de holding H waardoor er een tegoed bestaat (lees rekening-courant) tussen holding H en dhr. Z. Vermits de holding nog maar net is opgericht beschikt de holding H nog niet over de nodige middelen om het tegoed aan Z terug te betalen. Het geld zit immers in de werkvennootschappen X en Y.
Hiervoor besluit men om een dividenduitkering te doen aan de Holding H die op zijn beurt het tegoed belastingvrij kan terugbetalen aan dhr. Z.
Stel dat Z geen holding had opgericht dan zou de dividenduitkeringen tussen X en Y onderworpen zijn aan 25% roerende voorheffing.

Dit levert natuurlijk een mooie belastingbesparing op echter zijn er bepaalde aandachtspunten die men in rekening moet houden. Maar vooraleer deze te bespreken beginnen we met de vraag wat effectief een holding is.

Qua definitie kunnen we besluiten dat een holding een vennootschap is waarvan de activa voornamelijk bestaan uit aandelen van een exploitatie(werk)- en patrimoniumvennootschap.
Er is geen specifieke rechtsvorm maar wel een bepaald doel in de vennootschap met name het participeren, in welke vorm ook in andere vennootschappen. Daarnaast stelt de holding geen daad van koophandel.

Een holding kan het instrument zijn voor een overnamevehikel, vermogensplanning, centralisatie van het bestuur, bankier als successieplanning.

De holding kan vaal nog andere functies koppelen waaronder deze van patrimonium- en/of managementvennootschap.

Voor de participatie in andere vennootschappen kan men terugblikken onder het wetboek van vennootschappen art 5 controle. Onder “controle” van een vennootschap wordt verstaan, de bevoegdheid in rechte of in feite om een beslissende invloed ui te oefenen op de aanstelling van de meerderheid van bestuurders of zaakvoerders of op de oriëntatie van het beleid.

Definities van de moeder- en dochtervennootschappen, deelnemingen, financieel vaste activa als groep vindt men terug in art. 6, 13 en 16 W. venn.

2) Fiscale aandachtpunten bij oprichting holding

2.1) Personenbelastingen

2.1.1)Problematiek van de interne meerwaarden

Bij de creatie van een holdingvennootschap draagt de natuurlijke persoon (belastingplichtige) zijn aandelen van de werkvennootschap over door hemzelf opgerichte holdingvennootschap. Deze overdracht kan op twee mogelijke manier.

– Enerzijds wilt men de bestaande aandelen via inbreng in natura voor aandelen van de nieuw opgerichte holding.
– Anderzijds verkoopt men de aandelen aan de holding, waardoor men een tegoed heeft op de vennootschap. Hiervoor verkrijgt de belastingplichtige onmiddellijk of met uitstel een som geld.

Hoewel de natuurlijk persoon optreedt als twee verschillende jurdische hoedanigheden zowel in eigen naam en anderzijds als zaakvoerder of bestuurder van de holdingvennootschap, vindt de uiteindelijke overdracht plaats tussen twee dezelfde personen. Hiervan spreekt men over interne meerwaarden.

Normaliter is de meerwaarde op aandelen realiseert door een natuurlijke persoon vrijgesteld van personenbelastingen indien deze meerwaarde kadert binnen het normaal beheer van het privévermogen (lees de goede huisvaderstijl).

Bij interne meerwaarden (via verkoop) doet de administratie echter lastig en beschouwt men deze transactie als abnormaal beheer van het privévermogen conform de bepalingen art 90 WIB. Daaruit volgt dat de afzonderlijke belastbare basis voor deze interne meerwaarde echter 33% bedraagt vermeerderd met de aanvullende gemeentebelastingen tenzij de algehele globalisatie voordeliger is (art. 171 WIB)

Code in aangifte personenbelastingen is 1169-92/2169-62.

Art. 102 WIB bepaalt de basis van de belastbare meerwaarde conform art. 90 9° WIB wordt samengesteld. In het kort betekent dit de verkoopprijs of inbrengwaarde minus de verkrijgingprijs (onder bezwarende titel), de belastbare meerwaarde vormt. Let wel op dat men hiervoor geen rekening mag brengen met de verwezenlijkte kosten.

Indien de overdrager de vennootschap waarvan de aandelen worden overgedragen zelf heeft opgericht, zal de verkrijgingprijs in principe overeenstemmen met het kapitaal.

Wanneer de overdrager de aandelen via schenking heeft verkregen, zal de verkrijgingprijs in hoofde van de schenker moeten worden nagegaan.

2.1.2) Is de overdracht van aandelen steeds een abnormale verrichting van het privévermogen?

Daarvoor kan men de voorgenomen inbrengtransactie steeds voorleggen aan de rulingdienst (dienst voorafgaande beslissingen). Die op haar beurt een advies verstrekt.

Daarnaast is de rechtspraak echter verdeeld omtrent deze problematiek. De administratie meent naar zijn kant alvast dat dergelijke “interne meerwaarde” belastbaar is als divers inkomen.

Stel uit bovenstaande case dat dhr. Z zijn vennootschappen X & Y toen oprichtte voor 40.000 euro en nu inbrengt of verkoopt aan de holding H voor 100.000 euro dan zal de fiscus de interne meerwaarde van 60.000 euro belasten aan 33%.

Voormalige minister van financiën Reynders had echter de krijtlijnen bepaald waarbinnen de meerwaarden gerealiseerd binnen de inbreng (geen verkoop) in zijn eigen holding van aandelen die een meerderheids- of een controlebelang in een vennootschap uitmaken door de administratie, niet zullen beschouwd worden als diverse inkomsten bedoeld in art 90 WIB.

Deze voorwaarden zijn:

– gedurende een periode van drie jaar te rekenen vanaf de inbreng wordt geen kapitaalvermindering door de vennootschap doorgevoerd;
(Dit is een logisch gevolg vermits anders dan bij een verkoop van aandelen waarbij men geld ontvangt of een rekening-courant ontstaat waarbij men belastingvrij een som geld kan bekomen, ontvangt men bij een inbreng geen geld maar aandelen van de vennootschap. Echter kan men via kapitaalvermindering toch het geld uit de dochter(s) halen)
– gedurende een periode van drie jaar te rekenen vanaf de inbreng wordt geen kapitaalvermindering door de werkmaatschappij doorgevoerd;
– gedurende een periode van drie jaar te rekenen vanaf de inbreng wijzigen de dividenduitkeringen door de werkmaatschappij niet te overstaan van vroeger (d.w.z. voor de inbreng in de holdingvennootschap);
– gedurende een periode van drie jaar te rekenen vanaf de inbreng stemmen de door de werkmaatschappij betaalde management-fees, bedrijfsbeleidersbezoldigingen, enz. overeen met de vroegere bedrijfsbeleidersbezoldigingen.

Onder bepaalde omstandigheden kan van deze voorwaarden worden afgeweken indien er rechtmatige economische of financiële redenen kunnen voorgelegd worden (Art 344 WIB antirechtsmisbruikbepalingen).

Hiervoor wordt weliswaar de problematiek van de inbreng van aandelen geregeld, maar niet de verkoop van diezelfde aandelen aan de eigen holding. Daarvoor zal de belastingplichtige zich doorgaans tot de rechtbanken en hoven moeten richten.

(De andere topics Venn. b, BTW, RR en besluit worden in de toekomst beschreven).