Het afsluiten van een groeps- of bedrijfsleiderverzekering is een fiscaal interessant middel geworden om op een legale wijze het fiscaal resultaat te drukken. Deze is reeds goed in gebruik genomen door boekhouders, fiscalisten en accountants.
De minder bekende vorm is de intern gefinancierde pensioenbelofte (IPT).
Deze kan mogelijk een alternatief vormen voor de groeps- en bedrijfsleidersverzekering.
In deze blog bekijken we het onderwerp heel breed. Aan de hand van voorbeelden trachten we een verduidelijking te brengen in de berekening volgens de actualisatietechniek en de 80%-regel.
Op het einde maken we een vergelijking met de groepsverzekering.

We kijken zowel naar de impact boekhoudkundig als fiscaal.

1) Pensioenbelofte

De pensioenwetgeving in België bestaat uit 3 pijlers.

De eerste pijler is ons wettelijk pensioen
De tweede pijler is de pensioenvorming gevormd door de werkgever
De derde pijler bestaat uit de individuele levensverzekeringen en pensioensparen

De individuele pensioentoezegging (IPT) bevindt zich in de tweede pijler.

In de tweede pijler behoren de groepsverzekeringen, het pensioenfonds en binnen de vennootschap gefinancierde pensioenbelofte.

In principe moet de financiering van een individuele pensioentoezegging aan bedrijfsleiders gebeuren middels een pensioenfonds of middels een levensverzekering, waarvan de bedrijfsleider zelf de begunstigde is.
In deze situatie betaalt de vennootschap jaarlijkse premies aan een extern organisme voor de opbouw van een verzekerd kapitaal.

Echter kan er ook intern een financiering gebeuren waarbij de vennootschap een voorziening voor risico’s en kosten aanlegt met de bedoeling om het beloofde pensioenkapitaal uit te betalen d.m.v. eigen middelen.

De wettelijke toelating voor deze financiering is voorzien in de wet voor aanvullenden pensioenen (WAP) waarbij er een uitzondering is voor pensioenbeloften aan mandatarissen van vennootschappen, zoals bestuurders, zaakvoerders en vereffenaars. Hun financiering kan derhalve nog steeds gebeuren middels een interne pensioenvoorziening of bedrijfsleidersverzekering.
Deze regel is enkel mogelijk voor zelfstandige bedrijfsleiders en niet voor werknemers.

1.1) Voorwaarden en definitie pensioenbelofte

Pensioenbelofte is een belofte waarbij de vennootschap onder bepaalde voorwaarden zich verbindt om aan een bepaalde bedrijfsleider (of diens nabestaanden) een aanvullend pensioen uit te keren.

De voorwaarden zijn:

– Individueel: de belofte richt zich tot een één individu en nooit tot een groep van mensen (dit is wel het geval bij een groepsverzekering)
– Voorwaardelijk: bij het aangaan van de belofte heeft de begunstigde geen volledige zekerheid dat hem een aanvullend pensioen zal worden uitgekeerd, hij zal eerst aan een aantal voorwaarden moeten voldoen (zoniet is er een risico van onmiddellijke belastbaarheid)
– Contractueel: als er aan alle voorwaarden zijn voldaan, dan heerst er een contractuele plicht op de vennootschap om aan de begunstigde een uitkering te doen (zoniet is er geen aftrek van de uitkeringen in hoofde van de vennootschap)
– Arbeidsvergoedend: de pensioenbelofte is een tegenprestatie voor arbeid binnen (en buiten) de onderneming

Door de pensioenbelofte verkrijgt de begunstigde pensioenvoordelen bij pensionering of overlijden. Er is geen opzegvergoeding en ook geen aanvulling bij een brugpensioen.

Vooraleer we zowel de boekhoudkundige als fiscale impact gaan bekijken is er een algemene regel die we steeds in ons achterhoofd moeten houden nl. boekhoudrecht primeert boven fiscaal recht tenzij fiscaal recht ervan afwijkt.

2) Boekhoudrecht voorziening voor risico’s en kosten

Het boekhoudrecht verplicht de onderneming voorzieningen te boeken voor risico’s en kosten om naar hun aard duidelijk omschreven verliezen of lasten te dekken, die op balansdatum waarschijnlijk of zeker, doch waarvan het bedrag vaststaat (art 50 KB W.venn).
Deze verplichting berust zich op het overeenstemmingbeginsel en het voorzichtigheidsbeginsel.
Bij de opstelling van de jaarrekening moet er rekening worden gehouden met alle voorzienbare risico’s die ontstaan zijn tijdens het boekjaar of tijdens voorgaande boekjaren, zelfs indien deze risico’s slechts gekend zijn tussen de balansdatum en de datum waarop de jaarrekening wordt opgesteld (art. 33, lid 1 KB W.venn). Deze boekhoudkundige bepalingen werken ook grotendeels door op fiscaal vlak.

Voorzieningen kunnen aangelegd worden voor pensioenen, grote herstellingswerken, persoonlijke of zakelijke zekerheden.
Indien je aan deze situaties voldoet leg je een voorziening aan. Terwijl bij de ontbinding (art 181 W.venn) van de vennootschap een voorziening moet aangelegd worden om de kosten van de vereffening te dekken.

Voorziening voor pensioenen moeten onder meer worden gevormd met het oog op verplichtingen die op de ondernemingen rusten inzake rust- en overlevingspensioenen, brugpensioenen en andere gelijkaardige pensioenen of renten (art. 54 KB W.venn)

Er moet een voorziening worden gevormd voor de uitkering bij leven. Als de pensioenbelofte ook in een uitkering zou voorzien bij vroegtijdig overlijden, dan moet dit risico als dusdanig niet worden geprovisioneerd. De waarschijnlijkheid dat een vroegtijdig overlijden zich voordoet is niet groot.

Tenslotte moer er opgemerkt worden dat de waardering van voorzieningen moeilijk is vermits het exacte bedrag niet gekend is. De waarderingsregels van voorzieningen moeten steeds consistent gebeuren en mogen niet gewijzigd worden. De normen voorzichtigheid, oprechtheid en goede trouw moeten steeds in het achterhoofd gehouden worden (art 51 KB W.venn).

De commissie voor boekhoudkundige normen heeft in de loop van de jaren heel wat adviezen verleend omtrent voorzieningen. Waaronder voorziening voor prijsschommelingen en voorzieningen met een algemeen karakter (advies nr. 107/2), voorziening voor brugpensioen (advies nr. 107/3), voorziening voor waarborgen (advies nr. 107/6) en risico’s en verliezen waarvan de waardering aleatoir is (advies nr. 107/7).

3) Waarde van de pensioenvoorziening

Volgens de boekhoudwetgeving moet er stelselmatig een voorziening worden gevormd, volgens de waarderingsregels van de onderneming (opgesteld door raad van bestuur en vermeld in de toelichting), op een consistente wijze en onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar.
De commissie voor boekhoudkundige normen voegde in haar advies nr. 107/9 aan toe dat men bij het aanleggen van de voorziening rekening moet houden met het sterfte risico en de rente. Bij deze laatste factor zullen de datum waarop de kost moet worden betaald en de spreiding ervan uiteraard een weerslag hebben, via actualisatie, bij de rechtstreekse waardering van de te vormen voorzieningen, indien deze datum meer dan een jaar verwijderd is.
Met andere woorden de waardering van een dergelijke voorziening moet gebeuren tegen de actuele waarde en niet tegen de nominale waarde. Idem bij de waardering van een vruchtgebruikconstructie bij de vennootschap (CBN advies nr.162/2)

Voorbeeld

Stel dat de NV XYZ (boekjaar sluit af op kalenderjaar) in het begin van het boekjaar 2012 een pensioenbelofte doet aan de heer X, bestuurder. Als beloning wil de vennootschap hem een aanvullend pensioen toekennen als beloning voor de reeds gepresteerde en nog te presteren dienstjaren inclusief een verhoging van 5 voorheen buiten de onderneming gepresteerde dienstjaren. Men spreekt over een zogenaamde backservice.

Indien de heer X nog in leven is op de eerste dag van de maand volgend op zijn 65ste verjaardag
(1 januari 2036), zal de vennootschap hem op die datum, als aanvulling op zijn pensioen, een eenmalig pensioen uitkeren van 200.000 euro.
Begrijpelijk is aan de uitkering van de pensioenbelofte een aantal voorwaarden verbonden, waardoor het aangaan van de pensioenbelofte nog niet zeker is dat de heer X op dit kapitaal aanspraak zal kunnen maken.

Vermits de pensioenbelofte voorwaardelijk moet zijn. De heer X is 40 jaar oud in 2012. Hij is reeds in dienst als bestuurder sinds 1 januari 2002.

Hoe bepaalt men nu het bedrag van de pensioenvoorziening op 31 december 2012?
En hoe verwerkt men deze boekhoudkundig?

Eerste fase: bepaling van de loopbaanbreuk

Omdat de pensioenkost fiscaal kan aanvaard worden moet deze kost gespreid worden over de loopbaan van de betrokkene. De heer X is reeds 10 jaar in dienst en moet nog 25 jaar presteren.
De pensioenbelofte houdt rekening met de 5 jaar die voordien in een andere onderneming werd gepresteerd (backservice). Hierdoor wordt er rekening gehouden met een loopbaan van
5 +10 +25 = 40 jaar.
Op 31 december 2012 is 26/40sten van de betreffende periode verstreken.
In de eerste stap vermenigvuldigen we het beloofde pensioenkapitaal met de loopbaanbreuk op 31 december 2012.
200.000 euro x 26/40 = 130.000 euro.

Tweede fase: actualisatie

De voorziening moet volgens de spelregels gewaardeerd worden aan de actuele waarde. De maximale financiële actualisatievoet voor pensioenfondsen bedraagt 6%.
Geactualiseerd aan 6% stemt een nominale waarde van 130000 euro op 31/12/2035 overeen met een actuele waar op 31december 2012 van
130.000 / ((1,06) ^ (25 jaar nog te presteren – 1 = 24) = 32.107,21 euro.

Derde fase: overlevingskans

De commissie voor boekhoudkundige normen verwijst in haar advies nr. 107/9 voor de berekeningsmodaliteiten naar het KB van 15 mei 1985 betreffende de activiteiten van de private voorzorgsinstellingen.
Indien de pensioenbelofte alleen in uitkering bij leven voorziet, dan moet er rekening worden gehouden met de overlevingskans van dhr. X. Daarom maken we gebruik van de sterftetabellen (MR = mannen en VR = vrouwen). Volgens deze tabellen heeft een 45-jarige 90% kan om eind 2035 nog in leven te zijn.
Het resultaat na de tweede stap wordt daarom met deze overlevingskans vermenigvuldigd: •32.107,21 euro x 90% = 28.896,489 euro.
Ter verduidelijking merken we op dat deze laatste niet moet worden uitgevoerd als de pensioenbelofte ook zou voorzien in een eenmalig overlijdenskapitaal van 200.000 euro ten gunste van de nabestaanden.

Op 31/12/2012 zal er een voorziening van 28.896,49 euro aangelegd worden.

Boekhoudkundig
63500 voorziening voor pensioen en soortgelijke verplichtingen: toevoeging 28896,49
@ 16000 voorziening voor pensioenen en soortgelijke verplichtingen 28896,49

We merken op dat het gedeelte m.b.t. het verleden wel in resultaat mogen nemen de eerste keer.
En de geactualiseerde waarde moet worden gespreid over nog te presteren loopbaan.

Jaar na jaar zal deze voorziening worden verhoogd, om per 31/12/2035 precies 200.000 euro te bedragen. Op dat moment wordt de voorziening teruggenomen en gebeurt de uitbetaling.

Op 31/12/2013 zal de provisie verhoogd worden met:

Fase 1: 200.000 euro x 27/40ste = 135000 euro
Fase 2: 135.000 euro actualiseren aan 6% nl. 135000 / ((1,06)^ (25-1-1 =23)) = 35.342,63 euro.
fase 3: 35.342,63 euro x 90,5% overlevingskans (41jarige) = 31.985,08 euro.
Bijkomende voorziening: 31.985,08 – 28.896,49 = 3.088,59 euro.

4) Fiscaal recht voorzieningen voor risico’s en kosten

4.1) Algemeen

Een beroepskost is fiscaal aftrekbaar als de kost betaald is, het karakter heeft verkregen van een zekere en vaststaande schuld of als kost is gedragen (art. 49 lid 1 WIB).

Volgens art 48 WIB is het mogelijk de winst van een belastbaar tijdperk vrij te stellen voor een nog niet gedane, betaalde of gedragen kosten, die echter waarschijnlijk is geworden ten gevolge van gebeurtenissen die zich tijdens het belastbaar tijdperk hebben voorgedaan.
met voorzieningen voor (toekomstige) risico’s en kosten kunnen die toekomstig beroepskosten en beroepsverliezen reeds ten laste worden gelegd van een of meerdere voorgaande boekjaren.
Natuurlijk moeten er bepaalde voorwaarden worden vervuld om deze voorzieningen belastingvrij aan te leggen.
Het belangrijkste kenmerk tussen een beroepskost en voorziening is net zoals in boekhoudrecht het juiste bedrag van de toekomstige uitgave nog niet vaststaat.

Voorwaarden tot vrijstelling

Art 24,1° KB WIB bepaalt dat de kosten die waarschijnlijk zijn en waarvoor een belastingvrije voorziening wordt aangelegd, volgens hun aard aftrekbare beroepskosten moeten zijn in de zin van art 49 WIB.

Men mag zich niet baseren op eenvoudige verwachtingen of aleatoire ramingen. Hieruit volgt dat de toekomstige, waarschijnlijke kosten en verliezen scherp omschreven moeten zijn.
Een voorziening die aangelegd is op basis van een algemeen of hypothetisch risico is niet vrijstelbaar.
Stel dat men een voorziening aanlegt voor sociale voordelen aan het personeel. Deze voorziening beantwoordt niet aan de aftrekvoorwaarden van de art 48 WIB en art 24 KB WIB, waardoor er een “verwerping” gebeurt in de belastbare reserves (art 25,5° WIB)

Daarnaast moeten de (toekomstige) verliezen drukken op de resultaten van het belastbare tijdperk waarin hun oorsprong ligt en tijdens hetwelk de voorziening wordt aangelegd.

De kosten worden op de voorheen aangelegde voorziening afgeboekt op het ogenblik dat ze werkelijk worden gedragen (art. 26 KB WIB).

Wanneer de vennootschap in een later belastbaar tijdperk de waarschijnlijkheid van de kost niet meer kan verantwoorden, wordt de voorziening als een winst van dat tijdperk beschouwd.

Indien er zich gebeurtenissen zich hebben voorgedaan tussen de afsluitingsdatum van de balans maar voor de opstelling van de jaarrekening, kan er geen voorziening voor risico’s en kosten worden geboekt in deze jaarrekening van het vorige boekjaar. Voorzieningen die worden aangelegd naar aanleiding van feiten die zijn ontstaan tijdens het boekjaar maar pas gekend zijn na balansdatum en voor de opstelling van de jaarrekening, komen dan weer wel voor vrijstelling in aanmerking.

4.2) Belastingvrije pensioenvoorziening

In het verleden heeft da administratie vaak zich klem verzet tegen het systeem van fiscaal aftrekbare interne pensioenvoorzieningen. Verschillende hoven van beroep hebben de administratie vaak ongelijk gegeven (zie arrest Gent, 16 juni 1994).

Om aftrekbaar te zijn, moet de voorziening echter gespreid zijn over het aantal jaren dat loop tussen het aangaan van de overeenkomst (vb. op moment dat de bedrijfsleider 40 jaar is) en zijn pensioengerechtigde leeftijd. Hoven van beroep aanvaarden (meestal) niet dat de som in één jaar als fiscale voorziening wordt vrijgesteld.

De pensioenvoorziening moet voldaan zijn aan art 48 WIB en art 24 KB WIB.

– De voorziening moet geboekt worden om het hoofd te bieden aan schep om schreven verliezen of lasten
– De lasten of verliezen moeten volgens de aan de gang zijnde gebeurtenissen waarschijnlijk zijn, deze wordt bewezen door de pensioenovereenkomst
– De lasten waarvoor de voorziening worden aangelegd, moeten als beroepskosten aftrekbaar zijn (art 49 WIB)
– De lasten moeten geacht worden normaal op het resultaat van dat tijdperk te drukken

Daarnaast dient er een opgave 204.3 ingevuld te worden om fiscaal aftrekbaar te zijn. Dit formulier wordt in principe als bijlage bij de aangifte in de vennootschapsbelastingen gevoegd (art 22, §1,4° KB WIB).

4.3) 80%-regel

Het is pas mogelijk om een vrijgestelde fiscale voorziening voor een interne pensioenbelofte aan te leggen, voor zover de 80%-regel wordt gerespecteerd. M.a.w. de aangelegde voorziening kan slechts worden vrijgesteld in de mate dat het totaal bedrag van het pensioen, waarvoor de provisie wordt aangelegd, en van het wettelijk pensioen en de andere extra-legale pensioenbedragen, uitgedrukt in jaarlijkse renten, niet meer bedraagt dan 80% van de laatst normale bruto jaar bezoldiging, rekening houdend met een normale duurtijd van de beroepswerkzaamheid.
Deze klassieke 80%-regel geldt ook voor groepsverzekeringen, bedrijfsleidersverzekeingen,…
Zie circulaire van 4 februari 1987, Com. I.B. 59/18 en art 59 WIB.

Het gedeelte dat uitstijgt boven de gestelde grens is niet aftrekbaar.

Vermits de berekening van de 80%-regel niet eenvoudig is trachten we dit toe te passen o.b.v. bestaande gegevens.

Voorbeeld

Dhr. X geniet van een jaarlijkse bezoldiging van 36.000 euro. De voordelen alle aard mogen mee worden opgenomen in de berekening van de normale bruto jaar bezoldiging.
De betrokken alleenstaande bedrijfsleider is 40 jaar en werkt steeds 10 jaar voor de vennootschap. Daarnaast heeft hij 5 jaar voor een andere onderneming gewerkt.
De pensionering is voorzien op de leeftijd van 65 jaar.

Welk kapitaal mag er op basis van de 80%-regel maximaal worden toegekend?

N= 10 + 5 (buiten de onderneming) + 25 (nog te presteren) = 40
De jaren buiten de onderneming mogen ook meegeteld worden in de berekening van N, maar met een maximum van 10.

Laatste normale bruto wedde (L.B.W.) (art. 34 KB WIB): 36000 euro

Wettelijk pensioen (W.P.): voor een loontrekkende wordt dit geraamd op 50% van de bruto bezoldiging met een maximum van 47.960,29 (cijfers van 2010) euro.

Voor bedrijfsleiders is deze 25% van het huidig bruto jaar inkomen, de minimum- en maximumgrens is afhankelijk ofdat de bedrijfsleider alleenstaand is of niet.
Voor alleenstaanden mag het minimum pensioen niet lager zijn dan 11.047,46 euro en het maximumpensioen niet hoger dan 14.813,24 euro.
W.P. = 36.000 x 25% = 9000 < 11.047,46 euro.

L: normale duur van de loopbaan. Deze duur is forfaitair vastgesteld op 40 jaar (art. 34,3° KB WIB)

E.W.P.(R): maximaal toegelaten extra-wettelijk pensioen, uitgedrukt als een rente (art. 169 §2 WIB).
E.W.P.(R) <= reeds gepresteerde en nog te presteren jaren (40) / aantal jaren van de normale beroepsloopbaan (forfait 40) x ((80% x 36000)-11.047,36 (min)) = 17.752,64

Of, uitgedrukt in een kapitaal, in de veronderstelling dat de rente indexeerbaar en overdraagbaar is:

E.W.P.(K) <= 17.752,64 x 17,7063 (coëfficiënt zie art. 35§3 lid 2 KB WIB) = 314.333,57 euro.

In ons voorbeeld is de IPT die wordt uitgekeerd op 31/12/2035 fiscaal aftrekbaar vermits 200.000 < 314.333,57 euro.

4.4) Opmerking backservice en VAPZ

Backservice kan gebruikt worden om in een bepaald jaar direct een grotere storting uit te voeren voor compensatie van vroegere mindere stortingen, waarbij die backservice storting op zich niet aan de 80% regel is onderworpen, zolang het verzekerd kapitaal maar niet de 80% regel overschrijdt.
Indien de bedrijfsleider over een VAPZ beschikte dan telde deze ook mee in de 80% berekening.

4.5) Geen belastbaar voordeel

Men moet bij het aangaan van een pensioenbelofte voorzichtig zijn.
Er bestaat heel wat rechtspraak die ook het standpunt van de administratie steunt. Er bestaat pas een belastbaar voordeel op het moment dat de betrokkene een zekere en vaststaande vordering heeft op de vennootschap.
Vandaar vormt het voorwaardelijke karakter van de pensioenbelofte fiscaal een belangrijk punt. Dhr. X zal pas het vooropgestelde kapitaal verkrijgen op voorwaarde dat hij nog in leven is, in dienst blijft, geen bestuurdersfouten maakt,…

4.6) Het fiscaal regime van de uitkeringen

Op het moment van de uitkering worden alle voorzieningen teruggenomen (tegengeboekt). Dit laatste vormt een opbrengst die fiscaal geneutraliseerd wordt door de uitkeringen. In diens verstaande dat de uitkering fiscaal aftrekbaar is. Dit is in het geval indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
– de uitkering is het gevolg van een contractuele verbintenis
– de uitkering moet gebeuren aan de bedrijfsleiders of hun nabestaanden
– het moet gaan om gewezen bedrijfsleider m.a.w. ze mogen niet meer in dienst zijn, zelfs geen kosteloze mandataris
– de bedrijfsleiders moeten bezoldigd zijn geweest door de onderneming
– er moet voldaan zijn aan de 80%-grens
– er moet een individueel fiche en een samenvattende opgave worden opgesteld

4.7) Fiscale behandeling bij de bedrijfsleider (begunstigde)

Het ontvangen bedrag wordt bij de bedrijfsleider getaxeerd aan 16, 5% (art 171 WIB) (verhoogd met gemeenteopcentiemen), op voorwaarde dat de uitkering ten vroegste gebeurt:

– naar aanleiding van de pensionering op de normale datum
– naar aanleiding van pensionering in een van de vijf jaren die voorafgaan aan de normale pensioneringsdatum
– naar aanleiding van de brugpensionering

De vennootschap zal een RIZIV-bijdrage van 3,55% inhouden en een solidariteitsbijdrage op kapitalen tussen 0% en 2%

In de uitkering gebeurt naar aanleiding van overlijden is op het netto-bedrag successierecht verschuldigd. Waarbij de vrijstelling van successierechten die geldt voor een groepsverzekering niet van toepassing is op de uitkering van een aanvullend pensioen, toegekend via een individuele toezegging.

4.8) Liquiditeit van de pensioenbelofte

Bij een intern gefinancierde pensioenbelofte heerst er tijdens de vorming van de voorzieningen geen verplichting tot het aanhouden van liquiditeiten. De aanlegging van de voorziening is enkel een boekhoudkundige operatie. Natuurlijk zal de vennootschap op de vervaldag wel in staat moeten zijn om het kapitaal ineens te betalen. Tenzij de bedrijfsleider (begunstigde) akkoord gaat met een afbetaling op termijn (en via een inboeking op rekening courant)

4.9) Formaliteiten

Het opstellen van een overeenkomst met pensioenbelofte is heel secuur. Er moet namelijk een balans worden gevonden tussen het voorwaardelijk karakter van de overeenkomst en de contractuele zekerheid van de begunstigde.

Na de nadruk te leggen op boekhoudrecht en fiscaal recht mogen we het vennootschapsrecht niet uit het oog verliezen. Indien er een pensioenbelofte wordt aangegaan in het voordeel van de bestuurder, dan moeten de procedureregels van art 60 W. Venn. worden gevolgd.

De intern gefinancierde pensioenbelofte moet correct worden verwerkt in de boekhouding en in de toelichting bij de jaarrekening.

Er moet een staat 204.3 opgemaakt worden en toegevoegd worden bij de aangifte vennootschapsbelastingen.

Ten slotte moet de vennootschap voor 31 maart van het jaar volgend op het jaar van het aangaan van de pensioenbelofte, een informatiefiche toesturen aan het controlekantoor waaronder zij ressorteert.

4.10) Vergelijking met de groepsverzekering

Uitleg groepsverzekering
Zelfstandige bedrijfsleiders kunnen bij het pensioenstelsel (groepsverzekering) worden aangesloten indien de volgende voorwaarden zijn voldaan:

– aan de bedrijfsleiders moeten maandelijkse bezoldigingen worden betaald of toegekend
– de bezoldigingen moeten worden toegekend voor het einde van het belastbaar tijdperk waarin de prestaties werden geleverd
– de bezoldigingen moeten worden afgetrokken als beroepskost in het betreffende belastbaar tijdperk

Bij de maandelijkse bezoldigingen die in aanmerking mogen worden genomen voor de berekening van de maximaal toe te kennen voordelen (zie 80%-regel) mag er ook rekening worden gehouden met:
het belastbaar bedrag van de voordelen van alle aard, de door de vennootschap t.b.v. de bedrijfsleider betaalde sociale bijdragen, het bedrag van de geherkwalificeerde huur, de vakantievergoeding en eventuele eindejaarspremie en andere soortgelijke vergoedingen (Com.I.B. 195/8).

Tantièmes komen niet in aanmerking (zie commentaar vorige blog) omdat ze niet toegekend worden voor het einde van het belastbaar tijdperk en uiteraard mag er ook geen rekening worden gehouden met opnames van voorschotten in rekening-courant.

Voordelen IPT in vergelijking met de groepsverzekering

1) er is geen nood aan liquiditeiten
2) de 4,4 % taks op betaalde premies is niet verschuldigd
3) de verzekeringsmaatschappij rekent beheerskosten en commissielonen aan, bij de intern gefinancierde pensioenbelofte bestaan deze commissielonen en beheerskosten niet. Er zijn wel de erelonen van de dienstverleners

Nadelen IPT in vergelijking met de groepsverzekering

1) taxatie aan 16,5% is in principe ten vroegste mogelijk vanaf 60 jaar, terwijl bij de groepsverzekering vanaf 55 jaar kan
2) na uitkering van het pensioenbedrag moet het mandaat in de vennootschap worden stopgezet
3) bij de intern gefinancierde pensioenbelofte blijft er een risico inzake de continuïteit van de onderneming en een risico voor mogelijke discussies met de vennootschap
4) de groepsverzekering biedt op fiscaal vlak een grote rechtszekerheid, de controlediensten zijn vertrouwd met het regime, dit geldt natuurlijk niet voor de intern gefinancierde pensioenbelofte, ook al heeft de fiscus het principe aanvaardt, niet zelden doen er zich nog achterhoedegevechten voor
5) de vennootschap zou in liquiditeitsproblemen komen op het ogenblik de uitkering moet gebeuren
6) de intern gefinancierde pensioen is niet mogelijk voor een groep van mensen maar kan enkel voor welbepaalde personen

De techniek van intern gefinancierde pensioenbelofte brengt heel wat maatwerk met zich mee. Toch kan deze techniek in vergelijking met de groepsverzekering in specifieke omstandigheden fiscaal soelaas brengen.