Na zes maanden weggeweest te zijn, heb ik me vooral verdiept in de fiscaliteit van de personenbelastingen en vennootschapbelastingen. Rechtspersonenbelasting vormt voor mij een nieuwe uitdaging. Terwijl belasting der niet-inwoners minder frequent voorkomt.

Volgens mij is de personenbelastingen dan ook het meest ingewikkelde van allemaal.
Er worden volgens mijn menig veel “fouten” gemaakt of “dingen” vergeten.

Hierbij heb ik een aantal topics geplaatst die misschien het lezen waard zijn voor alle volmachthouders die tegen eind oktober de tijd hebben om de aangifte in te dienen voor hun klanten.

1) Belastingkrediet

Weinig boekhouders/accountants maken er nog gebruik van. In combinatie met een eenmalige of gespreide investeringsaftrek kan dit een mooi extraatje opleveren voor de belastingberekening van de ondernemer of vrije beroeper.

Art 289 bis WIB bepaalt met de betrekking tot de in art 23§ 1, 1° en 2°, vermelde winsten en baten (al dan niet in hoofd- of bijberoep)( maw geen bedrijfsleiders of loontrekkende), wordt met de personenbelastingen een belasting krediet verrekend van 10 procent, met een maximum van 3750 euro, van het meerdere van:

– het op einde van het belastbare tijdperk bestaande positieve verschil tussen de fiscale waarde van de in artikel 41 vermelde vaste activa en het totale bedrag van de schulden met een oorspronkelijke looptijd van meer dan één jaar die betrekking hebben op uitgeoefende beroepswerkzaamheden die winst of baten opbrengen;
– ten opzichte van het op het einde van één van de drie voorgaande belastbare tijdperken bereikte hoogste bedrag van dit verschil.

We kijken naar de netto aangroei van de investeringen die blijkt uit de afschrijvingstabel. De aanschaffingswaarde of beleggingswaarde van de investeringen vermindert met de aangenomen waardeverminderingen en afschrijvingen.

Voorbeeld

Je hebt als ondernemer heel wat investeringen aangekocht tijdens het inkomstenjaar 2010. Dan vormen de afschrijvingen niet enkel een beroepskost maar kan je een toepassing doen van het eenmalige of gespreide investeringsaftrek en daarnaast gebruik maken van het belastingkrediet.

Cijfermatig
Inkomstenjaar
2007 2008 2009 2010

Fiscale nettowaarde
(uit afschrijvingstabel)
90000 80000 100000 120000

Schulden langer dan 1 jaar
25000 20000 15000 10000

verschil
65000 60000 85000 110000

Grootste verschil is 85000

Verrekenbaar belastingkrediet is dus (110000-85000) x 10% =2500euro.

Mocht er in casu geen lening zijn meer dan 1 jaar dan is het belastingkrediet nog voordeliger.

Opmerkingen

Het belastingkrediet behoort tot de verrekenbare voorheffingen waaronder de roerende voorheffing, bedrijfsvoorheffing en het forfait gedeelte van de buitenlandse belastingen.
Net als bedrijfsvoorheffing is het belastingkrediet verrekenbaar (komt in mindering van de verschuldigde belastingen) maar het verschil is dat de bedrijfsvoorheffing terugbetaalbaar is (indien de berekende belastingen lager blijkt te zijn dan de inhouding van de voorheffing).

Terwijl het belastingkrediet niet terugbetaalbaar is. Maar wel overdraagbaar naar de volgende aanslagjaren.

Codes aangifte 1759/2759 en bij overdracht code 1762/2762.

Daarnaast een opgave maken 276 J (http://fiscus.fgov.be/interfaoifnl/publicaties/formulieren/formulieren.htm)

Vroeger werd dit ook gebruikt bij de KMO-vennootschappen maar op een andere manier.
Hiervoor kwam de notionele intrestaftrek in de plaats voor de aanmoediging om activa te laten investeren door het eigen vermogen.

Zoals u weet pleit onze heer Di Rupo naar een afschaffing of ferme verlaging van de notionele intrestaftrek. Misschien moeten we dan “back to the roots” van voor 2004 en weer gebruik maken van de investeringsreserve, investeringsaftrek en eventuele heropleving van het belastingkrediet voor KMO-vennootschappen.

2) Baten

Art 27 WIB: de beroeps inkomsten die worden verkregen door beoefenaars van vrije beroepen, ambten of posten en de inkomsten uit elke andere winstgevende bezigheid waarvan de inkomsten niet zijn aan te merken als winsten of bezoldigingen, behoren tot de baten (code 1650/2650).

De administratie maakt het ons niet altijd gemakkelijk want wat valt er nu onder de winsten van nijverheids-, handels- of landbouwbedrijven (code 1600/2600) en baten.

In werkelijkheid bestaat er geen definitie van het begrip “vrije beroep”. Volgens de fiscale administratie worden als beoefenaars van een vrij beroep aangemerkt de personen die in het kader van een zelfstandige beroepswerkzaamheid daden stellen van louter of hoofdzakelijk intellectuele aard. Waaronder advocaten, geneesheren, tandartsen, experts, accountants,…

Wat is nu het fiscale verschil tussen baten en winsten?

Bij winsten moeten de ondernemers sowieso hun beroepskosten (art 49 WIB) bewijzen en kunnen ze nooit gebruik maken van het forfait (zoals bij baten, loontrekkende en vrije beroepers)

Vrije beroepers kunnen dus hun kosten bewijzen als opteren voor het forfait.

Maar het belangrijkste fiscaal verschil zit hem hier:

Ondernemers zijn verbonden aan het realisatieprincipe die ook van toepassing is voor vennootschappen nl. de winsten zijn belastbaar van zodra een schuldvordering tot stand is gekomen, nl. op het ogenblik dat de schuldvordering een zeker en vaststaand karakter heeft verkregen.
De datum van inning van vordering heeft geen belang.
Concreet op het moment dat de handelaar een factuur uitschrijft is ze belastbaar.

Deze laatste is niet van toepasbaar voor de belastbare baten.
Deze zijn pas belastbaar vanaf de inning van de vergoeding of het ereloon.
Het ogenblik waarop het recht op de vergoeding ontstaat is niet relevant.
(http://ccff02.minfin.fgov.be/KMWeb/document.do?method=view&nav=1&id=7df366df-b2b8-488a-9bac-4bcfb140455c&disableHighlightning=true#findHighlighted)

De datum van de factuur bepaalt niet het tijdstip van belastbaarheid.

Voorbeeld

Een handelaar schrijft een factuur uit op 26/12/2010. Deze wordt pas betaald in 2011. Dan is de factuur belastbaar in 2010 (AJ 2011).

Een vertaler schrijft een factuur uit op 26/12/2010. Deze wordt pas betaald in 2011. Dan is de factuur belastbaar in 2011 (AJ 2012).

Hierdoor kunnen we voor de Baten “winstverschuivingen” doen.

In praktijk boek je de verkoopfactuur in 2010 voor de verschuldigde BTW (vermits indirecte belastingen andere regels volgen dan de directe) daarnaast verricht je via diverse boeking 700 @ 493 over te dragen opbrengsten op 31/12/X. En een tegenboeking op 01/01/X+1

Concreet zit de BTW in 2010 maar de opbrengst in 2011.
Mbt de BTW-omzetvergelijk zal je met een verschil zitten maar deze is natuurlijk verklaarbaar.

Deze manier kan een belastingvoordeel vormen voor de vrij beroepers zeker indien ze voor het aanslagjaar 2011 te weinig voorafbetaald hebben.

3) Voorafbetaling door zelfstandigen

Loontrekkende betalen in principe belasting op hun beroepsinkomen, de week of de maand waarin zij dit inkomen verwerven, via de inhouding van bedrijfsvoorheffing door de werkgever.
Met zelfstandigen is dit ook zo adhv voorafbetalingen. Doen ze dit niet dan is er een belastingvermeerdering die gelijk is aan 2,25%.

Door de nodige voorafbetalingen te doen, kan men een vermeerdering vermijden, en kan men zelf bonificaties bekomen.

Een eerste gevestigde zelfstandige in hoofdberoep moeten geen voorafbetalingen verrichten gedurende drie kalenderjaren. Het jaar van vestiging wordt als eerste kalenderjaar beschouwd. En zo wordt er geen vermeerdering aangerekend.

Idem voor startende KMO-vennootschappen is er geen vermeerdering verschuldigd op de overeenkomstig artikel 215, lid 2 WIB berekende belasting die betrekking heeft op de eerste drie boekjaren van de oprichting van de vennootschap.

In tegenstelling met de personenbelasting wordt het vooraf te betalen bedrag niet tot 106% verhoogd vermits er geen aanvullende gemeentebelasting verschuldigd is op vennootschapsbelastingen (art. 218, § 1, lid 2 WIB).

Daarnaast kunnen de vennootschappen niet genieten van bonificaties in tegenstelling tot de natuurlijke personen wanneer het bedrag van de voorafbetalingen het bedrag overtreft dat nodig is om de vermeerdering te vermijden.

Voor de personenbelastingen vermeldt je de datum van de eerste vestiging in code 1552/2552.

Meest voorkomende fout is indien men deze datum gaat invullen voor de eerste vestiging in bijberoep. Want deze komen niet in aanmerking.

Conclusie

Personenbelasting is ingewikkeld niet enkel door berekening maar ook door de interpretatie van de fiscale wetgeving.

Als voorbeeld kan men de auteursrechten die men ontvangt belasten als roerend inkomen, beroeps inkomen of divers inkomen. Wat voor de belastingberekening een wereld van verschil is.
Zo bestaat er ook een uitzondering voor journalisten waarbij deze rechten gesplist moeten worden tussen 70% beroepsinkomen en 30% van de vergoeding als roerend inkomen. Enkel voor hoofdberoep terwijl in bijberoep de vergoeding 100% als roerend inkomen beschouwt!

Waardoor ik de vraag kan stellen aan de lezer. Wist je dit?

Je kunt volledig het internet afzoeken en je vindt steeds iets terug maar vaak regels die we weten. Die zowel tijdens onze loopbaan tegenkomen als in het prille begin van onze opleiding aan de hoge school of universiteit.

Deze drie topics die ik heb besproken zijn dingen die me vaak vergeet of gewoon niet weet. Natuurlijk is de lijst niet volledig. Allesbehalve ervan, er zijn naast de “gewone” (lees alledaagse) regels, regels die enkel gekend zijn door gespecialiseerde accountants/boekhoudkantoren.
Of waarvan de gespecialiseerde sprekers dit niet liever doorgeeft aan zijn mede beroepsoefenaar.